Hoofdstuk 9

Er is geen inspanning in het Koninkrijk.

 

10 februari 1989

 

“Zo. Het is klaar.” Mompel ik binnensmonds, terwijl ik de concepttekst voor De Jeshua Brieven in een bestand opsla. Een deel van mij hoopt dat het in dat vreemde zwarte gat van cyberspace verdwijnt, die kosmische vuilnisbelt waar de Goden van Computerland alles opeten waarvan geen back-up is gemaakt of wat niet uitgeprint is! Als dit boek zo opgegeten zou kunnen worden, zou dat deel van mij misschien kunnen uitrusten terwijl het geleidelijk weer gezag en controle over mijn leven terugneemt.

 

Ik schrik van het gegrinnik dat opkomt bij die gedachte. Het overvalt me omdat het van een plek komt die veel dieper ligt dan waar mijn ego woont, alsof ik net een kamer in mijn huis heb ontdekt waarvan ik niet eens wist dat hij bestond.

 

Als ik van het toetsenbord opkijk, merk ik voor het eerst dat het donker is, en een blik op de klok leert dat het elf uur ‘s avonds is. Ik besef dat ik de afgelopen zeven weken in een heel andere wereld heb geleefd. Ik heb zelfs Kerstmis gemist, al moet ik zeggen dat ik me niet eens kan herinneren eraan gedacht te hebben!

 

Het schrijven was een diepe onderdompeling in alles wat Jeshua met mij gedeeld heeft, en ik was af en toe verrast als er een sterk gevoel over mij kwam dat ertoe leidde dat ik een enorme hoeveelheid materiaal heb geschrapt. Soms hoorde ik Hem zeggen: “nog niet”. Was het de persoonlijke informatie over Zijn leven? Het controversiële materiaal over de ‘Eind Tijden’? De visioenen die Hij mij heeft laten zien over wat dit Werk in de toekomst moet zijn?

 

Er is geen rationele verklaring voor, alleen een diep innerlijk gevoel dat het klopt, en daar vertrouw ik volledig op…denk ik!

 

Sommige dingen die Hij de laatste tijd gezegd heeft, blijven in me opkomen:

 

Kies dan,

alleen om je nutteloze

droom los te laten,

en opnieuw te worden geboren

in de ervaring van het Koninkrijk.

Deze keuze brengt een

proces van herkenning met zich mee

dat snel de herinnering herstelt

aan de rechtmatige plaats van de Zoon.

 

Dat slaat een gat in wat ik nu zie als de hele strekking van mijn ‘spirituele pad’ sinds 1973, toen ik begon met meditatie en yoga, samen met de studie van de wereldreligies en de psychologie. Ik zie nu, buitengewoon helder, dat het allemaal gebaseerd was op een ‘ik’ dat ernaar streefde om kennis te bemachtigen, te verwerven en (dat geef ik nederig toe) controle over mijn leven te krijgen. Nu blijkt, in dit nieuwe licht, dat allemaal maar een droom te zijn, gebaseerd op een onjuiste aanname: ik heb de vijand aangekeken en gezien dat het een ‘ik’ is dat niet veel meer is dan een gewoonte, ontwikkeld nadat de keuze werd gemaakt om in de Droom van Afscheiding te bestaan!

 

Na al die jaren heb ik het gevoel dat ik in werkelijkheid nog maar pas begonnen ben. Wat is dit mysterieuze ‘proces van herkenning’ waar Hij op zinspeelt? Mag ik om het hoekje gluren om te kijken of het veilig is?

 

Nou, die gedachte doet me regelrecht in de lach schieten; wat een gotspe! Wie zou dit soort vragen kunnen stellen, behalve dat kleinere deel van mij dat de gewoonte van afscheiding is – geworteld in angst – waarmee ik me ooit helemaal identificeerde?

 

Hoe kan ik ooit hopen te ontdekken wat dit mysterie betekent als ik me niet volledig onderwerp aan de weg van Liefde die Jeshua openbaart, en waartoe hij ons geroepen heeft?

 

*****

 

Ik kom uit mijn stoel en schud de stijfheid uit mijn benen, terwijl ik naar de keuken loop voor een kop thee. Terwijl het water aan de kook raakt, breek ik muntblaadjes af en snuif de geur op. Ik laat de blaadjes in de pot vallen en kijk hoe ze in het water tollen en draaien. Een deel van mij voelt dat ik net zo ben als die muntblaadjes, in wateren gegooid waarvan ik tot dusver het bestaan niet kende, terwijl ik beweerde van alles te ‘weten’ over juist dat water.

 

Ik schaam me. Ik voel me gereduceerd tot een soort huwelijksconsulent die nooit getrouwd is geweest, of een UFO-deskundige die er nog nooit een heeft gezien… bah!

Terug bij mijn bureau, realiseer ik me dat ik fout zat. Het is nog niet af. Dit manuscript is nog niet klaar, en ik ben beslist niet klaar. Ik kan het voelen: die oude Nemesis die al zo lang en zo diep in mij leeft. Deze Nemesis komt zo duidelijk uit de schaduw van mijn wezen tevoorschijn dat ik schrik – nee, ik ben geschokt – dat ik er zo lang aan voorbij heb kunnen kijken en haar heb kunnen vermijden. Die Nemesis heeft een naam, ‘Angst’. Ik bedoel niet het soort angst dat ik voelde in Vietnam, of op genoeg andere momenten. Dit is iets anders, iets diepers. Iets in het wezen van mijn ziel, als dat iets zegt.

 

Mijn lichaam siddert plotseling. Want het is mij duidelijk dat de enige manier om van deze wraakgodin bevrijd te worden zal vergen dat ik op de een of andere manier in de Werkelijkheid ga leven. Sterker nog, heel radicaal, het is eigenlijk God die ‘de laatste stap voor mij zet’! Wow! Waar is dan nog hoop op een minimum aan controle?! Toch belooft Hij dat het resultaat zal zijn dat ik in een nieuw land terecht kom, een land dat het tegendeel is van angst: Liefde.

 

Liefde. Zoete, zoete liefde! Ik meende dat ik er iets van af wist, maar nu ik nip aan deze heerlijke muntthee en hoor hoe de bijna bevroren regen tegen mijn raam klettert, moet ik accepteren dat ik weinig – of niets – van haar ware aard weet. De liefde waarover Jeshua spreekt kan beslist niets te maken hebben met wat ik plezierig acht, want dat ‘mij’ is gebrouwen in de ego-soep. Opnieuw voel ik mij gereduceerd tot een kind, een kind dat nog veel te leren heeft.

 

En wat te denken van Zijn cryptische mededeling:

 

Binnenkort komt er een duidelijk teken tot je van het Werk

waaraan je deelneemt, het werk van de verzoening

van de Zoon. Wanneer je duidelijk kiest voor de actieve

deelname aan dit Werk, zal er niets zijn

waarin niet zal worden voorzien.

 

Een duidelijk teken! Hoera! Zoiets kan ik wel gebruiken! Of is dat alleen nodig voor dat nu kleinere deel van mij dat zo gewend is aan angstige beduchtheid, vaak verborgen achter een glimlach?

 

Ik open het bestand weer en merk dat ik word aangetrokken door woorden waarvan ik weet dat ik er een diepe weerstand tegen voel:

 

Er wordt geen inspanning gevoeld in het Koninkrijk. Daar

is alleen een manifestatie van de wil van de Vader door

jou heen; een demonstratie die de slapende Zoon raakt

die tijdelijk gehuld is in een droom van eenzaamheid.

 

Ik blader door de uitgeprinte bladzijden van Zijn recente communicaties en mijn oog valt op nog een merkwaardige uitspraak:

 

De voltooiing van dit project is nu onvermijdelijk.

 

“Juist!” roep ik plotseling. “Wat weet ik in godsnaam van het schrijven van een boek, laat staan van het uitgeven ervan! En wie, gvd, zou deze rotzooi trouwens willen lezen, en waarom zouden ze dat willen? Als dit ding daadwerkelijk een boek wordt dat mensen lezen. Nou, dat zou een ‘duidelijk teken’ zijn, ha!”

 

Werkelijk, ik schreeuw deze gedachten uit, alsof ik een onzichtbaar oprukkend leger probeer af te weren dat mijn kasteel wil bestormen! Mijn lichaam siddert weer. Niet één keer, maar twee keer. Drie keer, eigenlijk. Waar heeft hij het in hemelsnaam over? Die Nemesis waarvan ik dacht dat ik haar diep genoeg begraven had om er vanaf te zijn – als een gezwel onder controle – is plotseling letterlijk aan het spartelen en schreeuwen:

 

“Nee! Ik niet! Ik ben het niet waard! Kijk naar mij! Kijk naar mijn absolute mislukkingen! Ik bedoel, ik ben echt de slechtste van de slechtste! Er is niets van enige waarde dat zich door mij heen zou kunnen manifesteren, helemaal niets!”

 

Dat laatste woord explodeert uit de gedachtenwereld, en uit een lichaam dat trilt en beeft, in een luide, uitdagende schreeuw die me tot op het bot door elkaar schudt.

 

Ik geef het op ertegen te vechten, tegen alles. Als ‘toelaten’ de sleutel is tot het Koninkrijk, dan kan ik net zo goed beginnen met deze plotselinge tranenvloed vanuit een bron diep in mijn hart en buik. De kracht vloeit uit mijn benen, en ik stort neer op de grond. De tranen – afgewisseld met een litanie van zelf-verachtende tegenwerpingen – komen overvloediger. Toch is de vloer op de één of andere manier een troost. Ik geef me over aan deze duisternis in plaats van ertegen te vechten. En ik raak een ogenblik, zelfs terwijl de tranenvloed doorgaat, een glimp van vrede aan, van echte vrede.

 

*****

 

Het gekletter van vuilnisbakken in de vroege ochtend wekt me. Ik weet niet wanneer ik in slaap ben gevallen, of de tranen zijn gestopt voordat ik insliep, of juist daardoor. Terwijl ik opsta, gluur ik door de ijskoude ramen om te zien hoe de vuilnismannen hun belangrijke – en onderschatte – werk doen.

 

Wat zouden zij doen als dit hun overkwam? Wat zou wie dan ook doen? Plotseling slaat een idee als een bom in, in mijn hele wezen:

 

“Ik ga weg van deze koude, donkere, sombere plek. Ik ga weer naar Hawaï!”

 

Energie golft door me heen als ik mijn koffer uit de kast trek.

 

“Wat, Marc, geen nauwkeurige planning?” Jeetje, de dingen veranderen!

 

De gedachte komt bij me op om het concept van De Jeshua Brieven uit te printen. Als in een film zie ik hoe ik het aan Kendra overhandig, op weg naar het vliegveld.

 

Een week later loop ik de trap op naar haar deur, het manuscript onder mijn arm.

 

*****

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *